Een reis aan het voorbereiden naar Boedapest of Hongarije? Zakelijke of verhuisplannen? Een schoolproject?
Als voormalige correspondenten en gidsen helpen we u graag om wijs te worden uit dit land met zijn bewogen geschiedenis, boeiende cultuur en uitzonderlijke taal, via lezingen in kleiner en groter gezelschap of praktische hulp bij de organisatie van reizen. Daarnaast zijn we beschikbaar als reisbegeleiders.

9 October 2013

Een kijkje bij een achttiende eeuwse burgerfamilie

Muurschildering in De la Motte-paleis
Decennia lang zaten de barokke muurschilderingen van het De la Motte/Beer Paleis op de burchtheuvel in Boeda verborgen achter vele lagen muurkalk. In de onderste verdieping van het gebouw zat een postkantoor, boven waren kantoren gevestigd.  Maar deze zomer werd het in 1760 gebouwde stadspaleisje voor publiek opengesteld. Paleis is eigenlijk een wat grote term, het gaat meer om een royale burgermanswoning, en je krijgt er een zeldzame inkijk in het leven van de gegoede burgerij uit die tijd.
Vrijwel alle kamers op de bovenverdieping zijn behouden gebleven, wat een klein wonder mag heten. Boedapest, en met name de burchtheuvel, waren aan het einde van de Tweede Wereldoorlog toneel van een van de zwaarste veldslagen uit de Tweede Wereldoorlog. Duitse troepen, die zich op de burcht hadden verschanst, leverden zes weken lang slag tegen het Rode leger dat aan de overkant aan de Donau stond en later in een tangbeweging om de burcht heen trok.
Toen de Duitsers zich eenmaal hadden overgegeven, was er van de burcht niet veel meer over, en wat bezoekers nu zien, is grotendeels opnieuw opgebouwd. Maar het De la Motte Paleis kreeg slechts één treffer. De schade daarvan is nog zichtbaar in de eerste kamer die je als bezoeker betreedt. Maar de rest van de muren overleefde de oorlog onbeschadigd.
Het gebouw werd oorspronkelijk gebouwd voor de Franse De la Motte familie, maar kwam later in handen van de apothekersfamilie Beer, die lange tijd een apotheek op de begane grond had. In een stijl die typisch is voor veel oudere huizen in Boedapest lopen alle kamer en suite in elkaar over, zodat je ook makkelijk grotere ontvangsten kon organiseren.
De inrichting heeft de oorlog niet overleefd, maar de meubels die er staan, zijn wel uit de tijd zelf. Heel fraai zijn de kamer-wc's on draagbare, afsluitbare dozen. De sanitaire voorzieningen van de woning waren beperkt: in de gereconstrueerde keuken staat ook de waskuip waar de hele familie één keer per week inging. Het water werd op het fornuis verwarmd en in de kuip gegoten. De heer des huizes mocht eerst, en daarna volgden alle anderen, in hetzelfde water, uiteraard.

Het De la Motte-paleis, Disz tér 15, is dagelijks (ook op maandag) geopend van 11 tot 19 uur. Toegang is 800 forint, familie (twee ouders met twee kinderen) betalen 1600 forint.

Voor meer informatie over de geschiedenis en de achtergronden van de burchtheuvel, lees 'Boedapest, een Verhalende Reisgids' van journaliste Runa Hellinga.

21 September 2013

Het hart van de sultan

Het graf met het hart van de Ottomaanse sultan Süleyman de Prachtlievende is nog niet gevonden, maar het lijkt nu wel zeker dat bij het stadje Szigetvár in Zuid Hongarije de restanten liggen van een oud en tot nu toe onbekend Turks stadje dat rond dat graf van Süleyman verrees.

Zrinski en Süleyman
Szigetvár is beroemd vanwege de belegering die daar plaats vond in 1566, waarbij 2.500 Kroatische en Hongaarse troepen onder bevel van de Kroatische edelman Nikola Zrinski (Zrinyi Miklos) het 33 dagen wisten uit te houden tegen 80.000 Ottomaanse troepen van Süleyman. Twee dagen voordat de Turken het fort van Szigetvár eindelijk innamen, stierf de sultan een natuurlijke dood in zijn legerkamp even verderop. Zijn lichaam werd overgebracht naar Istanboel, maar volgens tal van verhalen is zijn hart daar bij Szigetvár begraven, al is de precieze plek al eeuwen zoek.

Maar bij recent onderzoek in Turkse archieven zijn documenten gevonden over het stadje Turbék dat na 1566 rond de graftombe verrees: een moskee, een derwish-klooster, een kazerne en andere gebouwen. Grondmetingen tonen aan dat er nog tal van restanten liggen van het stadje, dat werd verwoest in 1680 toen de Habsburgers Hongarije heroverden op de Turken. Bij eerste opgravingen in wat nu wijngaarden zijn, zijn ook keramiek en zilveren voorwerpen uit die periode gevonden. Het lijkt dus slechts een kwestie van tijd totdat alles wordt blootgelegd en uiteindelijk ook toegankelijk gemaakt voor toeristen. Want de Turkse autoriteiten hechten groot belang aan het onderzoek in Szigetvár en hebben er al veel geld in gestoken.

Tot het zover is, zullen bezoekers het nog moeten doen met wat er nu is. Hoofdattractie is de imposante oude vesting met daarin het (19e-eeuwse) Andrássy Kasteel en de Sultan Süleyman Moskee. Even ten noorden van de stad, vlakbij het dorpje Sulimán, ligt het in 1994 geopende Turks-Hongaarse vriendschapspark op de plek waar sultan Süleyman’s legerkamp lag.

Meer informatie over Szigetvár en Süleyman in het boek “Hongarije, meer dan een reisgids,” nu als e-boek en als paperback (zie advertentie elders op deze pagina).

6 September 2013

Wisselen en andere geldzaken

Hongaarse forint: rekenen met veel nullen
Hongarije is geen euroland, en het zal nog wel een tijdje duren voor het land tot de euro toetreedt. Dat betekent dat je er, heel ouderwets, geld moet wisselen. De Hongaarse munt heet de forint en die forint is niet zo heel veel waard, zodat je al snel met enorme getallen loopt te goochelen. Wie een deel van zijn vakantie moet besteden aan het terugrekenen van bedragen als 21000 forint naar 70 euro, realiseert zich in ieder geval één van de grote voordelen van een gezamenlijke munt. Gelukkig heb je tegenwoordig overal wel een appje voor, dus ook voor het omrekenen van valuta.
Het heeft geen enkele zin om voor vertrek in Nederland of België al forinten op te nemen. Niet alleen krijg je dan een hele slechte koers, maar bij aankomst in Hongarije kom je snel genoeg aan geld. Zowel op het vliegveld als in treinstations staan geldautomaten waar je met je pinpas terecht kunt. Pas er overigens ook voor op om bij aankomst contant geld te wisselen op het vliegveld of bij wisselkantoren op stations. De wisselkoers die je daar krijgt, is meer dan schandalig. Terwijl je bijvoorbeeld nu 290 forint voor een euro hoort te krijgen, geven ze er daar maar 230 of 250 forint voor. Dan wordt Hongarije plots een duur land.
Een gewone pinpas met het maestro-logo is vrijwel overal bruikbaar: uiteraard bij bankautomaten, maar ook de meeste winkels, in restaurants en tegenwoordig ook in taxi's. De koers van pinpastransacties is heel redelijk. Wie contant geld opneemt, moet er wel rekening mee houden dat de Nederlandse bank daar in sommige gevallen een toeslag voor rekent, omdat Hongarije geen euroland is. Dat is een vast bedrag: grote bedragen contant opnemen is daarom voordeliger dan kleine.
Wie, bijvoorbeeld om die reden, toch liever euro's wisselt, kan daarvoor uiteraard bij een bank terecht. Maar dat is niet de meest gunstige optie. Meestal moet je wachten, en de koersen zijn vaak niet echt gunstig. Voordeliger ben je vaak uit bij een van de vele wisselkantoortjes in de stad. Voor je daar binnenstapt, moet je wel weten wat de dagkoers van de forint is, want zoals de ervaring op het vliegveld leert: ze zijn niet allemaal even betrouwbaar. Met name de Interchange-kantoortjes hebben een slechte reputatie. Ook hotels bieden overigens wisselmogelijkheden en soms tegen verrassend goede koersen. Ook daar geldt: zorg dat je de dagkoers kent. Daar is die app weer handig voor.
Steeds vaker zie je in de stad weer wisselaars op straat opduiken. Onder en direct na het communisme waren zulke illegale wisselaars een normaal verschijnsel (tijdens het communisme in het geniep, overigens), want de officiële koers die in die dagen werd gehanteerd, had weinig te maken met de werkelijke waarde van de de Hongaarse munt. Begin jaren negentig waren het, net als nu trouwens, vaak Arabieren die op straat klanten wierven. Destijds kon het tientallen procenten schelen of je op straat of officieel wisselde, en dat maakte het de moeite waard het risico te nemen. Maar vandaag de dag er is geen enkele reden om met een straatwisselaar in zee te gaan. Mocht die een absurd aantrekkelijke koers noemen, dan is dat alleen maar reden tot veel wantrouwen.
In een groeiend aantal winkels kun je tegenwoordig behalve met forinten ook met euro's afrekenen. Het is een service aan toeristen, maar in sommige zaken een service waar je stevig voor moet betalen. Ook hier geldt: zorg dat je de gangbare koers weet voor je in euro's betaalt. Een plaats waar je je euro's beter in je zak kunt houden, is bijvoorbeeld de bij toeristen razend populaire banketbakkerij Gerbeaud. Daar ben je al snel 10 tot 15 procent duurder uit met euro's dan met forinten. Omgekeerd kun je in de belastingvrije winkels op het vliegveld het beste wel met euro's betalen.
Wie alleen zijn bankpas meeneemt en om één of andere reden toch echte euro's nodig heeft: in het centrum van Boedapest, op de Déak Ferenc utca 7, is een OTP-bank die naast geldautomaten met forinten ook een geldautomaat heeft staan waar je euro's kunt trekken.

2 September 2013

Vaste taxitarieven

Met ingang van 1 september gelden er in Boedapest en dus ook vanaf het vliegveld vaste taxitarieven. Als de meter aangezet wordt, verschijnt er een basistarief van 450 forint (Eur 1,55). Voor elke gereden kilometer komt daar 280 forint (Eur 0,97) bij en voor elke minuut wachten mag de chauffeur 70 forint (Euro 0,24) rekenen. Alle taxi’s en taxibedrijven in de hoofdstad dienen zich hieraan te houden. Kortingsregelingen, maar ook speciale (duurdere) metertarieven voor het weekeinde of de nacht of de aanzienlijk duurdere "hoteltaxi's" die bij veel grote hotels stonden, zijn niet meer toegestaan.

De bedoeling van het nieuwe systeem is onder meer om de prijs van een taxi meer inzichtelijk te maken voor de klant en zo bedrog tegen te gaan. Een rit van het vliegveld naar het centrum moet vanaf nu niet meer dan 5000-6000 forint (17 a 20 euro) kosten. Tenzij de chauffeur natuurlijk een vreemde omweg maakt, dat blijft zeker bij passagiers die de stad niet kennen altijd mogelijk. Het oude taxisysteem dat op het vliegveld van Boedapest de afgelopen jaren van kracht was en waarbij er vaste tarieven waren voor diverse zones in de stad, is bij deze afgeschaft. Volgens dat systeem betaalde je voor een rit naar het centrum ongeveer 5000 forint en dat wordt nu dus als het goed is niet zo heel veel meer.

Alle taxi’s in Boedapest moeten ook, net als in New York, geel worden (met zwarte letters en strepen). Maar voorlopig geldt dat alleen voor nieuwe wagens, bestaande vergunninghouders hebben nog tot maximaal 1 september 2014 om hun wagen in de nieuwe lak te zetten (of met een gele plastic folie te beplakken). Dus voorlopig zullen er waarschijnlijk nog flink wat niet-gele taxi’s rondrijden.

Er worden ook nieuwe minimumeisen aan de kwaliteit van de taxi’s gesteld. Zo moet elke taxi in de hoofdstad een airconditioning hebben en betaling met een bankpas kunnen verwerken. Ook mogen de wagens niet ouder dan tien jaar zijn. Maar ook voor deze eisen geldt voor “lopende” vergunningen een overgangsperiode, zodat u voorlopig nog een fikse kans maakt in een van de bijna 2500 oudjes – bijna de helft van het totale aantal taxi’s in de hoofdstad – terecht te komen. ,

27 July 2013

Pécs 2: een buitengewoon centrum

Het centrum van de stad Pécs is niet alleen buitengewoon gezellig, met een veelheid aan mooie pleinen omringt door prachtige gebouwen, en gezellige straten met winkels, cafés en restaurants (en dus ook heel veel terrasjes), maar u vindt hier ook twee buitengewone topattracties. Het Cella Septichora is het restant van een vroegchristelijke begraafplaats uit de 4e eeuw. Er vlak naast ligt het Csontváry museum, gewijd aan de internationaal meest vermaarde van de Hongaarse 20e-eeuwse schilders.

In de Cella Septichora loopt u door, langs en over oudchristelijke graven en grafkelders grofweg uit de tijd kort nadat keizer Constantijn de Grote het christendom invoerde als staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk Pécs heette toen Sopianae. Te zien zijn ook de fundamenten van een kapel, oude marmeren kisten en reeksen prachtige fresco’s met christelijke figuren en symbolen (o.a. Adam en Eva bij de appelboom met de slang). Het geheel is verspreid over een paar locaties: de grootste opgraving is het met glas overdekte bezoekerscentrum vlak bij de kathedraal en in de Apáczai straat vlakbij zijn nog een paar kleinere (maar ook mooie) opgravingen. Alles is toegankelijk met één en hetzelfde kaartje dat bij het Bezoekerscentrum te koop is.

Even verderop in de Janos Pannoniusstraat vindt u op no.11 het Tivadar Csontváry museum. Het is het enige museum in heel Hongarije met een collectie van deze buitengewone schilder (1853-1919) over wie Picasso toen hij voor het eerst werk van hem zag, gezegd zou hebben: “Ik wist niet dat er deze eeuw naast mij nog een andere grote meester leefde.” Een architect uit Boedapest op zoek naar een woning kwam bij toeval net na het overlijden van de toen nog onbekende Csontváry in diens appartement een grote stapel van zijn werken tegen en kocht ze direct op. Maar pas na de Tweede Wereldoorlog kreeg Csontváry’s werk algemene erkenning, eerst internationaal dankzij tentoonstellingen in Parijs en Brussel in 1949 en pas in de jaren zeventig ook in Hongarije. In het museum vindt u zijn levensverhaal en een aantal van zijn belangrijkste werken: grote, zeer expressieve en kleurrijke schilderijen, onder andere zijn bekende gezicht op de brug van Mostar.

Daarnaast heeft Pécs nog heel veel meer te bieden: het hoofdplein met de Moskee van Pasha Kaseem Gazi, het Domplein met de kathedraal, het museumstraatje met o.a.het museum van Vasarely, de vader van de Opart, veel jugendstil gebouwen en Zsolnai porselein, een tweede moskee uit de 16e eeuw met minaret (Rákóczi ut 2) enz. enz. Het houdt gewoon niet op en samen met het Zsolnay Kwartier (zie de blog van 29 april j.l.) is deze stad dubbeldik het bezoeken waard.

Meer informatie over Pécs en zijn geschiedenis (van Sopianae via Quinque Basilica en Fünfkirchen naar nu) vindt u in “Hongarije, meer dan een reisgids,” nu als e-boek en als paperback te verkrijgen (zie advertentie elders op deze pagina).

12 July 2013

Een extra dimensie

Pissarro, Monet, Degas, Renoir, Cézanne, Gauguin en Van Gogh, ze hangen er nu allemaal in de Nationale Galerie, het grote museum in het paleis op de burchtheuvel. Maar ook, op de wanden er tegenover, de schilderijen van hun Hongaarse tijdgenoten zoals Szinyei Merse, Ferenczy, Vaszary, Fényes, Mednyánszky en natuurlijk Rippl-Rónai. Het levert een fantastische tentoonstelling op, met parallellen, overlappingen en contrasten en een indrukwekkend overzicht van de geschiedenis van impressionisme en postimpressionisme in een tijd dat Hongarije volop en graag deel was van de Europese kunstwereld.


Het is niet het Musée d’Orsay in Parijs waar je zeker een uur in de rij moet staan om binnen te komen en over de hoofden kunt lopen, maar het moet lang geleden zijn dat de Nationale Galerie zoveel publiek voor een tentoonstelling trok. Al is er gelukkig nog meer dan genoeg ruimte om op je gemak elk schilderij van dichtbij en van afstand te bekijken en op je in te laten werken, teksten te lezen (jawel, ook allemaal in het Engels) en ter vergelijking nog even terug te lopen naar deze of gene schilder of schilderij.

Het is ook geen magere tentoonstelling, zo’n overgehypte event waar uiteindelijk eigenlijk maar een paar echt interessante werken blijken te hangen en je het na een half uurtje wel weer hebt gehad. Nee, zes zalen boordevol met werken van heel veel hele grote kunstenaars uit de 19e en begin 20e eeuw. En het mogen dan niet de allergrootste en allerbekendste schilderijen zijn – wel drie stukken van Van Gogh bijvoorbeeld maar geen zonnebloemen of zicht op Arles – maar door al die werken zo samen te zien, krijgen ze een extra dimensie en wordt het één samenhangend en boeiend verhaal.

Ook de uitvoerige uitleg per zaal en periode maar ook per schilderij – draagt daartoe bij: hoe het impressionisme aan zijn naam kwam (een misprijzend bedoelde opmerking die tot geuzennaam werd), wat de postimpressionisten wilden, hoe Hongaarse kunstenaars erin verzeild raakten en hoe de diverse kunstenaarskolonies in Szolnok, Nagybánya (Satu Mare) en Gödöllö ontstonden.

De tentoonstelling is een samenwerking van het Israëlische Museum in Jeruzalem, de Hongaarse Nationale Galerie en het Museum voor Schone Kunsten aan het Heldenplein in Boedapest. Entree kost 1500 forint (5,50 euro) voor een volwassenen en de tentoonstelling loopt tot 13 oktober.

28 June 2013

Hongaarse kunstenaars: Ferenczy en de kunstenaarskolonie in Szentendre

Szentendre heeft nu eindelijk zijn museum waarin recht wordt gedaan aan diegenen die het mooie Servische dorpje aan de Donau net boven Boedapest ooit op de kaart hebben gezet: de diverse schilders en beeldhouwers die zich hier in de afgelopen 120 jaar vestigden en het maakten tot het kunstenaarsdorp dat het nu nog is. Werk van diverse schilders en stromingen, te beginnen met de vader van het Hongaarse impressionisme Károly Ferenczy, zijn te zien in het geheel vernieuwde Ferenczy museum dat afgelopen week werd geopend.

Het is geen heel groot museum geworden waar je uren kunt dwalen, maar daar hebben de meeste mensen bij “een dagje Szentendre” waarschijnlijk ook geen behoefte aan. In drie afdelingen biedt het in beeld en tekst (ook in het Engels) een beknopt overzicht van de artistieke ontwikkelingen in het plaatsje. Dat begint met werk van Ferenczy, die hier tussen 1889 en 1892 woonde en werkte. Ferenczy geldt ook als de stichter van de moderne Hongaarse schilderkunst en was een van de oprichters van de kunstenaarskolonie in Nagybánya, nu Satu Mare in Roemenië).
Nadat Nagybánya in 1920 volgens het verdrag van Trianon bij Roemenië was gevoegd, vestigden een aantal schilders van de kolonie zich in 1926 in Szentendre (o.a. omdat Ferenczy er gewoond had en omdat het een beetje aan Nagybánya deed denken) en begonnen er een nieuwe kunstenaarskolonie. Het was het begin van Szentendre als kunstenaarsdorp waar zich vervolgens steeds weer nieuwe generaties vestigden. Werk van “de acht oprichters” is te zien in een tweede zaal van het museum, terwijl in een derde ruimte werk wordt tentoongesteld van kunstenaars uit Szentendre van de tweede helft van de 20e eeuw.
Het museum is nog niet helemaal af, er komen bijvoorbeeld nog een beeldentuin, een lapidarium en een koffiebar bij, en er zijn nog wat kinderziektes (dingen die niet goed zijn opgehangen, kleine foutjes in de Engelse vertaling e.d.) maar het zou eind van het jaar helemaal klaar moeten zijn. Het museum is gevestigd aan de Kossuth Lajos ut, 100 m. voorbij de brug met de Dumtsja Jenö ut waar het Számos Marsepein museum zit. Het is even zoeken, want er zijn nog geen borden die naar het museum verwijzen, maar dat geldt ook voor de al in 2012 geheel gerenoveerde Kunst Molen (Müvészeti Malom) aan de Bogdányi u. 32, waar o.a. tentoonstellingen van hedendaagse kunstenaars uit Szentendre te zien zijn.
Natuurlijk is Szentendre daarnaast ook nog het toeristische stadje dat het de afgelopen decennia al was: mooie kronkelige straatje en kleine pleintjes, Servisch orthodoxe kerkjes, het uitzicht op de Donau (verbeterd nu de oude dijk is afgebroken), veel galeries, cafés en restaurants, en natuurlijk de onvermijdelijke maar inmiddels ontelbare winkeltjes met souvenirs en folkloristisch spulletjes.

Meer weten over Szentendre of Hongarije?
Koop "Hongarije, meer dan een reisgids" als e-boek of paperback. Verkrijgbaar bij onszelf  (zie advertentie rechtsboven) of via Amazon Duitsland waar u ook een voorproefje op het boek kunt krijgen.